by Will de RozarioOp 13 juli 2009 is het 90 jaar geleden dat het Indo-Europees Verbond werd opgericht.
Een terugblik op de viering van het 50-jarig bestaan welk gevierd werd kan misschien enige duidelijkheid geven over het I.E.V. van toen.
Rede van de Voorzitter van het Jubileumcomité, de heer A.F.J. de Rozario, (foto) ter viering van het 50-jarig bestaan van het Indo-Europees Verbond, uitgesproken op 1 november 1969 in het Congresgebouw te ’s-Gravenhage.
Excellentie, Mevrouw Tjarda van Starckenborgh Stachouwer, Mevrouw Beernink, Heren vertegenwoordigers van het Gemeentebestuur van Rijswijk (ZH), van met ons sympathiserende organisaties en van de pers en gij allen, dames en heren, die ons de eer en het genoegen hebt willen aandoen tegenwoordig te zijn bij de opening van deze bijeenkomst ter herdenking van het feit, dat ruim 50 jaar geleden, op 13 juli 1919 te Batavia werd opgericht het INDO-EUROPEES VERBOND, het is mij een grote vreugde U allen hier welkom te mogen heten.
Dames en Heren, U zult zich wellicht hebben afgevraagd waarom het door ons van zo groot belang werd geacht de datum 13 juli 1919 in de herinnering terug te roepen. Wat voor zin het heeft de oprichtingsdatum te herdenken, nú hier in Den Haag en enkele maanden geleden in Soerabaya, van het INDO-EUROPEES VERBOND, een statutair niet meer bestaande organisatie, die na de soevereiniteitsoverdracht in Indonesië voortleefde onder de naam INDO EENHEIDSVERBOND of GIKI en in Nederland is geworden de Vereniging Indische Nederlanders, beide organisaties met gewijzigde statuten, maar ongeveer eendere doelstellingen als het oude I.E.V.
Voor een beter begrip zou ik U dan gaarne ter inleiding en in vogelvlucht willen terugvoeren naar reeds lang vervlogen dagen, toen avontuurzoekende, en wetenschap en de Mammon-dienenden, rusteloos op verkenning uit waren; naar de tijd, dat de Portugezen in 1509 en de Spanjaarden in 1521, voor het eerst voet aan wal zetten in de Indische Archipel, zich vermengden met de autochtone bevolking en gedurende een kleine 100 jaar zorgden voor een rijke nakomelingschap van mengbloeden, waarvan U heden ten dage nog overal ter wereld afstammelingen zult aantreffen. Ik herinner U slechts aan de grote verscheidenheid van namen, ook hier in Nederland, die alle duiden op een Portugese of Spaanse afkomst.
Eerst aan het einde van de 16e eeuw, op 2 april 1595, verlieten 4 Hollandse schepen, uitgerust door de Compagnie van Verre, de haven van Texel om pas op 23 juni 1596 de ankers uit te werpen op de rede van Banten, met de gebroeders Cornelis en Frederik de Houtman aan boord, ter behartiging van de handelsbelangen. Van deze datum af zou het eerste contact van de Hollanders met de autochtone bevolking leiden tot een eeuwenlange en hechte binding in velerlei opzicht en vorm. Oorspronkelijk uiteraard zuiver zakelijk, zoals door alle eeuwen heen, overal ter wereld en bij álle volkeren te doen gebruikelijk was, maar op de duur in dit geval toch zéker óók hebbende geleid tot een bepaald unieke, vruchtbare samenwerking en, na de daarvoor gebrachte onnoemlijk zware offers, ook tot een beter begrip en respect voor elkanders waarden. Intussen had men op het toenmalige door de Oost-Indische Compagnie bezette territoir, het probleem van een groot aantal mengbloeden van Europees-Indonesische afkomst zonder enige status. Zij hadden niet eens een náám, tenzij men de aanduiding halfbloed, mixties, inlands kind, sinjo, nonna, liplap, klipsteen of blauwe bliksem, meestal voorafgegaan door een grote verscheidenheid van de meest uitgezochte epitheta ornantia, als zodanig wilde beschouwen. Zij bestonden slechts, en denken konden zij niet, noch was hun dit toegestaan. Door de vaders werden zij niet erkend en de moeders waren door het eigen volk uitgestoten. De mengbloed dorst zich alleen bij nacht en ontij vertonen en werd automatisch beticht van elke overtreding, van elk misdrijf of elke misdaad, door wie maar ook gepleegd.
Laatste reacties