Laatste reacties

  • Boeroeng Meer over van der Tuuk http:
  • j.friso. Wat voor jaar en datum kwam
  • Henk Ja,ik herinner het me nog go
  • sigeblek Ik denk dat hier verschillen
  • sigeblek Quote: Als nieuwe President
  • Telor Pedis De Jappen hadden twee doelst
  • Ed Vos Misschien is dit een leuk do
  • sigeblek quote: Veel later zou uit zi
  • sigeblek Dankzij Westerling met zijn
  • Beste, B.v.d.Weghe Sorry ho

Indisch4ever laatste nieuwstopics

Neem inhoud van deze site over (XML)

Oosterwijkhans Hans Oosterwijk was ondermeer bibliothecaris en las veel.
Ook over zijn geboorteland Indonesië.  Hij heeft de gewoonte    -voor de eigen duidelijkheid-  dat wat hij las in het kort op te schrijven. Dit werd de basis voor het latere idee een Indische kalender te maken.  Iedere dag zou verwelkomd zijn met een nieuw verhaaltje over de Indonesische archipel van toen en nu.

Er is een kalender 2009 gekomen en 2010 is bijna uitverkocht .
2011 is in de maak en nu publiceert Hans zijn kalenderverhalen op deze pagina .
Iedere dag een nieuw verhaal

maandag 15 maart 2010

Kratermeren

De Indonesische archipel vormt in zijn geheel één van de meest vulkanische gebieden van de wereld. Onder de ongeveer 400 werkende, rustende en uitgedoofde vulkanen zijn er tientallen die in de trechtermond een vulkanisch meer herbergen.

In de lijst van belangrijke vulkanische kratermeren in de wereld komt de Indonesische archipel op de eerste plaats met een 30-tal, als zodanig erkende vulkanische meren. Hierbij is gelet op de structuur en vorm van de krater maar vooral op de wisselwerking tussen vulkanisch endogene en atmosferisch exogene krachten in het water. Watermonsters hebben aangetoond dat het neervallend regenwater in de kraters een stevige interactie aangaan met vulkanische producten als gassen, zwavel, stoom, zuren, en andere stoffen uit de vulkaan.
Een prachtig voorbeeld vormen de drie gekleurde kratermeren van de Kelimutu-vulkaan op het eiland Flores. Met een pH-waarde van 0,5 behoort het 2de kratermeer tot de giftigste kratermeren van de archipel, de zuurgraad is te vergelijken met accuzuur. Slechts twee andere kratermeren op Java hebben een vergelijkbare zuurgraad, de Kawah Ijen en de Kawah Putih.
De kleuren van het kraterwater worden bepaald door de concentratie aan giftige gassen uit de vulkaan die in het water worden opgenomen. Bij een eventuele uitbarsting van de vulkaan vormen deze gifhoudende kratermeren een extra gevaar voor de omgeving.
De Keloet wierp in 1919 de hele, kokende inhoud van 38 miljoen m³ water de krater uit.
Hedendaagse kratermeren zijn Kerinci, Ranau, Awu, Batur, Rinjani, Dempo, Talagabodas,

zondag 14 maart 2010

Liberaal bewind in Nederland en koloniën

In het revolutiejaar 1848 was Europa in de ban van opstanden tegen het conservatieve staatsbestuur van souvereine vorsten in diverse landen. Men streefde aldaar naar een politiek liberaal systeem en de instelling van een liberale grondwet.

Als gevolg van de revoluties in het buitenland waarbij vaak hevig geweld werd uitgeoefend, verklaarde Koning Willem II tegenover de Senaat dat hij in één nacht van conservatief tot liberaal was geworden.
Onder leiding van de liberaal Thorbecke werd in het najaar van 1848 een nieuwe grondwet ingevoerd die een einde maakte aan de persoonlijke regeermacht van de koning. Voortaan waren de ministers verantwoordelijk voor hun beleid. In Nederland startte het liberale tijdperk met ruim uitgewerkte liberale grondwettelijke bepalingen.
Wat betekende dat voor Nederlands-Indië nu de invloed van de koning op het bestuur van de kolonie kwam te vervallen?
Wel, de Nederlandse Volksvertegenwoordiging met zijn liberale meerderheid kreeg het voor het zeggen.
a. De minister van Koloniën werd verplicht jaarlijks aan de Staten-Generaal een verslag uit te brengen over de toestand van de koloniën, d.i. het “Koloniale Verslag”,
b. Nederlands-Indië kreeg, net als Nederland, zijn eigen “Grondwet”, d.i. de Wet op de Indische Staatsinrichting (1854),
c. De wijze van beheer en verantwoording van de koloniale middelen werd bij wet geregeld. Dit hield in dat de begroting van Nederlands-Indië jaarlijks bij wet, dus met medewerking van de Staten-Generaal, zou worden vastgesteld.

zaterdag 13 maart 2010

Na de kraton de onderwerping?

Na het succes van de 2de expeditie in Atjeh en daarmee de verovering van de Kraton op 31 januari 1874, wachtte men af of de opstandige stamhoofden zich kwamen onderwerpen. Zo ging het altijd in overige delen van de archipel.

Vergeefs wachtte generaal Van Swieten op de overgave van de Atjehers. Bij diens vertrek werd hij opgevolgd door kolonel Van Pel. In een gebied van enkele kilometers rond Kota Radja werd een verdedigingslinie opgeworpen die Kota Radja moest afschermen voor de aanvallen vanuit het binnenland. Met de zee bleef een open verbinding.
Er werden in totaal 38 bentengs (houten fortificaties) opgeworpen, die door 2700 militairen werden bezet. Tijdens de werkzaamheden aan de verdedigingslinie werden de militairen vrijwel voortdurend door de Atjehers bestookt.
De onophoudelijke aanvallen op bentengs, transporten en patrouilles werden slechts beantwoord met een korte uitvalsactie van het leger.
Even snel als ze kwamen verdwenen de Atjehers weer. De guerrillaoorlogsvoering vierde hoogtij. Altijd zaaiden ze dood en verderf onder de troepen en maakten wapens buit die voor hen belangrijk waren voor de voortzetting van de strijd.
Behalve de buitgemaakte wapens werden de Atjehers ook voorzien van moderne wapens die via Penang werden ingevoerd. Het waren goede schutters die zelfs salvovuur onder de knie hadden. De meeste slachtoffers onder de militairen vielen door geweervuur, daarbij vergeleken was het aantal slachtoffers door klewanghouwen uiterst klein.

vrijdag 12 maart 2010

Goesti Dertik H. Neubronner van der Tuuk

Na zijn werk in de Bataklanden op Sumatra werd dr. Herman Neubronner van der Tuuk weer door het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG) benaderd om in Bali te gaan werken en de bijbel in het Balinees te vertalen.

In 1870 arriveerde de taalgeleerde Van der Tuuk in Singaradja op Bali. Hij trok het binnenland in om in Kampong Beratan midden tussen de Balinezen neer te strijken. Een bediende uit Batavia en een kokkin uit Soerabaja met haar man vergezelden hem. Geheel ondergedompeld te zijn in de puur Balinese levensstijl maakte hem meer dan gelukkig.
Hij werkte hard aan zijn Balinees-Nederlands woordenboek. Bovendien bleek hem dat de Balinese taal nauwe verwantschap vertoonde met het Kawi, de oud- Javaanse taal, en hij besloot tegelijkertijd te werken aan een Kawi-Nederlands woordenboek.
De druk die het NBG op hem uitoefende om t.b.v. de verspreiding van het christelijk geloof, de bijbel in het Balinees te vertalen, werd hem uiteindelijk te veel. Hij verbrak de banden met het NBG en trad in gouvernementsdienst.
Vanaf 1873 werkte hij met onverminderde kracht aan zijn woordenboeken. Langzamerhand nam hij in gedrag en levensstijl de gewoonten van de Balinezen over. Hij woonde in een bamboehut en kleedde zich in sarong. Het enige waar hij zich van de Balinezen in onderscheidde was zo nu en dan Europees eten en een glas wijn uit zijn goed producerende wijngaard.
In 1894 werd hij ziek overgebracht naar Soerabaja waar hij op 17 augustus aan dysenterie overleed.
Zijn 3600 pagina’s tellend Kawi-Balinees - Nederlands Woordenboek, werd gepubliceerd in 1897-1912.

donderdag 11 maart 2010

Perhimpunan Indonesia

Perhimpunan Indonesia was een vereniging van inheemse studenten uit Nederlands-Indië die aan diverse universiteiten in Nederland studeerden. Vanaf 1922 vormden zij de voorhoede van de Indonesische nationalistische beweging, die onafhankelijkheid van Nederland nastreefde.

Het Indonesische volk heeft er recht op te weten welke status Nederland aan Indonesië na de bevrijding zal toekennen. Het heeft er recht op de uitvoering te zien van de democratische beginselen, neergelegd in de rede van H. M. de Koningin van 7 december 1942, waarin Zij verklaarde dat de verhouding Nederland-Indonesië na de oorlog geregeld zal worden in "vrij overleg" en "op de stevige basis van een volledig deelgenootschap", uitgaande van het feit, dat de oorlogsjaren hebben bewezen, dat beide volken de wil en bekwaamheid bezitten tot een eensgezinde en vrijwillige samenwerking". In aansluiting aan deze klare uitspraak en plechtige toezegging van H.M. de Koningin en uitgaande van het door het Indonesisch Volkscongres, dat als zodanig de stem van de gehele nationale beweging vertegenwoordigt, in 1939 ter zake ingenomen standpunt, constateert de Perhimpunan Indonesia de zowel in Nederland als in Indonesië uitgesproken wens tot een definitieve liquidering van de koloniale status. Zij meent de verhouding als volgt te wijzigen:
De status van zelfstandigheid van Indonesië met een eigen volksvertegenwoordiging en een daaraan verantwoordelijke regering naast een orgaan, waarin vertegenwoordigers van Nederland, van Indonesië, Suriname en Curaçao de gemeenschappelijke zaken behandelen.

woensdag 10 maart 2010

Vervoer van krijgsgevangenen over zee

Een aantal van de krijgsgevangenen transportschepen werd door de Geallieerden tot zinken gebracht zonder dat hun lading bekend was. De schepen waren op weg naar doelen o.m. in de Indonesische archipel, Thailand, Birma en Japan.

Voor de aanleg van wegen, vliegvelden, verdedigingswerken, spoorwegen en de grondstoffenwinning hadden de Japanners ontzettend veel arbeidskrachten nodig.
Krijgsgevangenen waren voor de Japanners goedkope arbeidskrachten. Er waren er lang niet genoeg. Met wervingsacties of via razzia’s werden Romusha’s in dienst genomen, op Java alleen al zo’n 290.000.
De goedkoopste manier van transport was over zee waar geallieerde duikboten vele schepen torpedeerden.
Een aantal wordt hieronder genoemd:

Circa 15.000 Geallieerde- en Nederlandse krijgsgevangenen en een onbekend aantal Romusha’s hebben hun leven op zee gelaten.

dinsdag 9 maart 2010

De val van Ambon

De snelle opmars van de Japanners maakte het de Japanse Zero-jagers, met hun beperkte actieradius, mogelijk om van noordelijk gelegen bezette vliegvelden hun eskaders bommenwerpers te kunnen begeleiden.

Op 13 januari 1942 was het zover.
Het luchtalarmeringssysteem van Ambon, meestal bezet door Ambonese scholieren, meldde de komst van een groot eskader bommenwerpers.
De hele jagermacht van Ambon, in totaal twee Nederlandse Brewster-jagers, steeg op om de strijd aan te binden. In het luchtruim werden ze door een zwerm Zero’s ingesloten en de ongelijke strijd was snel beslist.
De Japanse bommenwerpers bombardeerden de stad Ambon, de verdedigingswerken en de luchthaven. Series bombardementen volgden.
De Australische luchtmacht bestaande uit Lockheed Hudson bommenwerpers werd op de grond sterk gereduceerd.
Op 30 januari 1942, het restje van de luchtmacht had zich al teruggetrokken op Timor, voltrok de Japanse landing zich op meerdere plaatsen van het eiland met een overmacht aan getrainde manschappen.
Het grote Japanse invasieleger maakte gebruik van veldartillerie, tanks, gerichte luchtsteun en scheepsgeschut van begeleidende oorlogsschepen.
Het slecht bewapende Nederlandse garnizoen, in aanvang circa 3000 man, capituleerde op 1 februari, het Australische bataljon gaf zich op 3 februari over.
Door mijnenvelden in de Buitenbaai zijn een aantal Japanse oorlogsbodems tot zinken gebracht. Ambon heeft gestreden voor wat het waard was!

maandag 8 maart 2010

Vulkanen in Nederlands-Indië

Tot het jaar 1940 bedroeg het aantal vulkanen in Indië circa 400, waarvan voor zover bekend 88 tekenen van activiteit vertoonden. Van 60 is bekend dat zij in het verre verleden zijn uitgebarsten. Enkele vulkanen liggen onder zee.

Vulkanen in Indië bevinden zich voornamelijk in de boog Noord-Sumatra, Java naar de Kleine Soenda eilanden, in Zuid en Centraal Celebes, Noord Celebes over de Sangir eilanden naar de Filippijnen en rond Halmaheira.
Onderscheid wordt gemaakt in werkzame, rustende of slapende en uitgedoofde vulkanen.
De werkzaamheid van vulkanen is niet continu. Zij vertonen afwisselend meer of minder lange perioden van rust en activiteit.
Men meende dat de Krakatau was uitgedoofd, maar deze begon plotseling weer te werken.
Het grootste deel van de vulkanen in Indië behoren tot het type Strato-vulkaan.
Tijdens de perioden van eruptie werd magmagesteente en -zand uitgebraakt dat rond de krater bleef liggen. De vulkanen werden steeds hoger, de vulkaanmantel werd telkens opgebouwd uit losse magmaproducten met of zonder lavastromen, zij hebben vaak een kegelvorm en bereiken hoogten van 2000 – 4000 meter.

Voorbeelden zijn de Goenoeng Api in Banda, Rindjani in Lombok, Sinabang in Batakland, Piek van Kerintji en Dempo bij Palambang, Tjikorai in de Priangan, Tjeremai, Semeroe en Batok op Java, Agoeng op Bali, en andere. Door verplaatsing van het eruptiecentrum zijn twee-of drielingen ontstaan zoals Sindoro-Soembing, Merbaboe- Oengaran-Merapi, en andere.

zondag 7 maart 2010

Van Landrente tot Cultuurstelsel

In de beginperiode van het Koloniaal Bestuur in Indië werd in de onder Nederlands gezag gestelde gebieden van de Indonesische archipel de indirecte gezagsoefening door Nederlandse bestuursambtenaren ingevoerd.

De residenten kregen als nieuwe gezagsdragers van het Binnenlands Bestuur (BB), van H.W. Daendels (1807- 1811) de opdracht mee om de Inheemse vorsten bij te staan als hun "oudere broeder”.
Tijdens het Engelse bestuur van T.H. Raffles (1811- 1816) werd dit bestuurssysteem verder uitgebouwd.
De kosten werden gedekt door de invoering van een landrente, een belasting op de oogst.
Al snel bleek deze bestuursorganisatie vanwege de omvang van het ambtenarenapparaat te kostbaar.
Net na de langdurig verlopen en daardoor geldverslindende, bloedige Java-oorlog van 1825-1830 werd het Cultuurstelsel op Java ingevoerd om de Nederlandse Schatkist te spekken. Tegen een vast plantloon werden de Inlandse landbouwers van Java verplicht voor Nederland winstgevende producten als koffie, suiker en tabak te leveren. Het stelsel was alleen van toepassing op Java. Belast met de inning van de landelijke inkomsten en de controle op de cultures waren de BB-Controleurs.
Het door J. van den Bosch (1830- 1833) ingevoerde cultuurstelsel was winstgevend voor Nederland. Vanaf 1830-1857 liepen de jaarlijkse baten op van 15 tot 44 miljoen, daarna weer terug tot 16 miljoen in 1873.
Door kritiek op de slechte werkomstandigheden en uitbuiting van de landbouwers bleek het stelsel politiek niet langer haalbaar te zijn.

zaterdag 6 maart 2010

De Vorstenlanden na de Java-oorlog (1825-1830)

Midden-Java was een rampzalig gebied geworden, duizenden desa’s waren vernield en onder de bevolking waren honderdduizenden slachtoffers gevallen, de aristocratie huisde op de puinhopen van hun eertijds prachtige residenties.

Ook de Europeanen hadden circa 8000 man aan militair personeel verloren, alle koffietuinen waren verwoest en de in eer herstelde Europese landhuurders waren geruïneerd.
De regering stelde het sultanaat Djokjakarta geheel aansprakelijk voor de oorlog. In verband met de benarde financiële toestand van Djokja’s aristocratie stelde het gouvernement zich tevreden met afstand van grondgebied als schadevergoeding.
Echter, door gebiedsafstand zou Djokjakarta kleiner worden dan Soerakarta?. Het evenwicht tussen de twee gelijke delen van het Mataramse rijk zou zijn verbroken. Hoe te handelen in de ontstane situatie?
Besloten werd een even groot grondgebied van Soerakarta weg te halen, overigens tegen geldelijke vergoeding. En dat terwijl de sultan van Soerakarta als bondgenoot van de Nederlanders had meegevochten tegen de opstandelingen van Djokjakarta. De verbitterde vorst moest nu stappen ondernemen tegen het onrecht dat hem door de Nederlanders was aangedaan. Hij bracht heimelijk een bezoek aan de grafstenen van zijn voorouders in Imogiri om ter plaatse door gebeden en reiniging zich waardig te maken om op het zuiderstrand van de godin Njai Loro Kidoel goddelijke raadgevingen te ontvangen.
Resident Nahuys, kenner van de gewoonten van de Javaanse vorsten, pakte hem op om erger te voorkomen. De Soenan werd verbannen naar Ambon.

vrijdag 5 maart 2010

De bruid van het riet

Als de Westmoesson met z’n zware regenbuien overgaat in de kentering (circa april), zal de administrateur van de suikeronderneming de datum vaststellen dat het suikerriet zal worden gesneden en de molens in de fabriek kunnen gaan draaien.

De lange vermoeiende suikercampagne kan starten. Omdat het werk op de suikerplantages vele handen van Indonesische desabewoners uit de omtrek vergde, moest eerst een rituele slametan voor de werkers worden gehouden. Daartoe werd de fabriekshal met palmtakken versierd en aan de machines werden reeksen mertjons bevestigd. Een speciale kok werd ingehuurd om voor alle Javaanse werkers een mandje samen te stellen met rijst en bijbehorende gerechten.
Op de bewuste datum werd het eerste riet gesneden, op de versierde grobaks geladen en door eveneens versierde karbouwen naar de fabriek vervoerd.
Voor de stoet grobaks uit, liep een Javaans orkest met trommels, fluiten en trompetten, daarachter de koeda kèpang, mannen op bamboepaardjes die de boze geesten moesten verdrijven en daarachter schreed in de stoet een reusachtige, uit bamboe opgetrokken vrouwenfiguur. Gekleed in een gebloemde sarong en kabaja met op het hoofd een bruidskrans met kralen slingers, was zij de verbeelding van de vruchtbaarheid, zij was de bruid van het riet.
Alle desa’s waren uitgelopen om dit mee te maken. In de fabriek wachtte het Europees personeel en hun dames met in hun midden de Wedono en het desahoofd.
De stoet arriveerde, de ceremonie begon, het vuurwerk barste los om de sètans te verjagen, de hadji bad, na de speech van de administrateur vloeide de champagne. Het maalfeest was gestart. Proost, op een rijke oogst!!!

donderdag 4 maart 2010

Linggadjati in concept

Het bergdorpje Linggadjati, aan de noordkust van Java even ten zuiden van de havenstad Cheribon, was de plaats waar de Nederlandse en Indonesische delegatie, respectievelijk onder voorzitterschap van Schermerhorn en Soetan Sjahrir, het concept akkoord ondertekenden.

“Ik vind het maar raar dat ze Linggadjati hebben uitgekozen, het is een gat zonder gat daarachter. Waarom moesten ze precies daar over gewichtige staatszaken praten?”.
“Nee, de voorbereidende besprekingen gebeurden in Batavia. Om beurten in Paleis Rijswijk bij Van Mook en bij Sjahrir thuis in Pegangsaän Oost 56”.
“Dat is tenminste stijlvol. Maar waarom zijn ze naar Linggadjati verhuisd?”.
“Toen de Nederlandse delegatie met de Commissie- Generaal (Schermerhorn, Van Poll, De Boer) en Van Mook aan de ene kant en de Indonesische delegatie met Sjahrir, Mohammed Roem, A. Gani, en Soesanto Tirtoprodjo aan de andere kant, nagenoeg overeenstemming hadden bereikt over de besproken punten, dacht men dat het wel nuttig zou zijn om te verhuizen naar typisch Repubikeins gebied. Dan kunnen Soekarno en Hatta er ook bij zijn. En toen koos men voor Linggadjati, het koele bergplaatsje bij Cheribon”.
“De Nederlanders in het hol van de leeuw dus”.
“De aankomst per torpedoboot ‘Bankert’ in de baai van Cheribon was op zich al provocerend. Eén fanatiekeling zou de lont in het kruitvat kunnen steken. De delegaties werden ontvangen door een erewacht en dichte hagen mensen langs de route naar het plaatsje Linggadjati, die vrolijk Merdeka riepen. En daar in Lingadjatti is het ontwerp-akkoord door Soekarno en Hatta goedgekeurd.
Toen is de naam Lingadjatti-overeenkomst ontstaan”.

woensdag 3 maart 2010

Japan en de Conventie van Genève

In het Landoorlogsreglement van 1899, dat meerdere malen is gewijzigd en herzien, staat nauwkeurig omschreven wat er onder krijgsgevangenen moet worden verstaan. Zij moeten met menselijkheid worden behandeld en niet toegestaan zijn represailles tegen hen, ook niet in geval van vlucht.

Japan had de Derde Conventie van Genève van 27 juli 1929 met betrekking tot de behandeling van krijgsgevangenen wel getekend maar niet geratificeerd (bekrachtiging, goedkeuring v.e. staatsdocument door betrokken regeringen) Als reden voor het NIET-ratificeren werd van Japanse zijde opgegeven dat er te grote verschillen lagen in maatschappelijke gewoonten en militaire discipline tussen Japan en de andere meer welvarende landen, zodat het ratificeren zou neerkomen op een eenzijdig aanvaarden van verplichtingen, aangezien Japanse militairen zich geen krijgsgevangene zouden laten maken.
Wel zouden enkele reglementen worden gehanteerd m.b.t. de behandeling van krijgsgevangenen.
Echter, de meest brute behandeling van krijgsgevangenen in de Tweede Wereldoorlog deed zich voor in de Japanse kampen. Gemiddeld stierven 20%-35% van de geallieerde gevangenen in Japanse kampen (tegen 2%-3% in Duitse kampen). Deze hoge sterfte werd veroorzaakt door dwangarbeid en mishandeling in combinatie met het onthouden van voedsel, medicijnen (in het bijzonder medicijnen tegen malaria) en medische behandeling.
Nog op 24 april 1942 deelde het Japanse ministerie van Buitenlandse Zaken aan de Zwitserse gezant in Tokyio mee dat men de Derde Geneefse Conventie op krijgsgevangenen en geïnterneerden wel zal toepassen, maar met de restrictie ‘zoveel als dit mogelijk is’.

dinsdag 2 maart 2010

Verdediging van Ambon

Door zijn strategische ligging ten opzichte van Australië moest het eiland Ambon wel door Japan veroverd worden, om vandaar met bommenwerpers de stad Darwin in Noord-Australië te kunnen bereiken.

Van Japan over de Filippijnen naar Australië, zo had de Japanse opmars moeten verlopen. Maar dan ligt daar midden op die aanlooproute het kleine strategisch gelegen eiland Ambon.
Bij het uitbreken van de oorlog op 8 december 1942 was ter verdediging van het eiland een geallieerde troepenmacht aanwezig, een bataljon KNIL-troepen versterkt met Ambonese militie en aangevuld met een bataljon Australiërs, samen circa 3.900 man landstrijdkrachten. De uitrusting en bewapening van de manschappen was pover tot slecht.
De militaire luchtvaartdienst van het KNIL had voor de luchtverdediging van het eiland welgeteld . . twee Brewster Buffalo jagers paraat staan op Laha, het vliegveld van Ambon.
Ter bestrijding van de verwachte Japanse invasievloot waren eveneens op Laha ondergebracht 18 Lockheed Hudson bommenwerpers van de RAAF, de Royal Australian Air Force.
In de Binnenbaai, één van de twee diepe baaien, die het eiland haast doormidden snijdt, lagen zes Catalina vliegboten van de Marine luchtvaartdienst (MLD). Zij waren bestemd voor verkenningsvluchten boven de Molukse archipel tot aan Nieuw Guinea.
De grote Buitenbaai van Ambon werd tegen indringende schepen deels beschermd door mijnenvelden en enkele batterijen kustartillerie.

maandag 1 maart 2010

Aardbevingen in Nederlands-Indië

De Indonesische archipel ligt aan het einde van de zogenaamde Mediterrane gordel. Een lange smalle gordel waarlangs de belangrijkste epicentra, centra van seismische trillingen aan de oppervlakte van de aarde, zich uitstrekken.

De Mediterrane gordel loopt van de Azoren langs de Middellandse zee, de Balkan, Turkije, het noordelijk deel van het Midden Oosten, Iran, de Himalaja, Burma, naar Sumatra, Java en de Molukken.
De Platentektoniek of Schollentektoniek is de theorie die o.m. een verklaring geeft voor de geologische structuren in de aardkorst. Volgens die theorie is de lithosfeer, de buitenste laag in de aarde, verdeeld in tectonische platen of “schollen” die onafhankelijk van elkaar over het aardoppervlak bewegen. Veel aardbevingen hangen samen met de langzame interne bewegingen van de aardkorst, specifiek langs de breuklijn van twee platen.
Deze tektonische aardbevingen (verband houdend met de tektonische werking van de aarde) traden in Nederlands-Indië heel vaak op en waren dikwijls vernielend.
Sedert 1850 werden aardbevingen opgetekend en vanaf 1898 door het Magnetisch en Meteorologisch Observatorium te Batavia geregistreerd en gepubliceerd.
Vanaf 1900 hebben zware aardbevingen met grote vernielingen en aardbevingshaarden op land o.m. plaatsgevonden in:
Kerintji (Su) 1909, Benkoelen (Su) 1914, Banjoemas (Ja)1916, Bali 1917, Maos (Su) 1923, Wonosobo (Ja) 1924, Padang-Pandjang (Su) 1926, Manado (Ce) 1931, Ranaustreek bij Palembang, Benkoelen (Su) 1933, e.a.

zondag 28 februari 2010

Cultuurstelsel en de bevolking

Java werd productief onder het Cultuurstelsel, zelfs hoog productief. De zucht om de opbrengsten te doen stijgen deed de bebouwde grond op Java sterk toenemen. Oerwoud verdween om plaats te maken voor eindeloze rijen koffieheesters, indigo velden en tabakstuinen, alsook de nodige bevloeiingswerken.

Java was druk in de weer. Onderlinge oorlogen op Java deden zich niet meer voor. Toepassingen van hygiënische maatregelen als b.v. koepokinenting maakten dat het bevolkingsoverschot op Java sterk steeg (6 miljoen in 1824 naar 20 miljoen in 1880).
Een donkere kant van het Cultuurstelsel was dat de bevolking zwaar heeft moeten boeten voor de grote welvaart op Java.
Het ergst drukten de slecht betaalde herendiensten op de bevolking. Terwijl slechts 1/18 deel van de bodem door gouvernementscultures in beslag werd genomen, riep men honderdduizenden (circa 1/4 v.d. bevolking) op om op dat 1/18 deel te werken.
Herendiensten werden eveneens ingezet voor de bouw van defensiewerken in Soerabaja en Batavia. Velen bezweken aan de grote werkdruk en malaria. Van heinde en verre werden de arbeidskrachten opgeroepen.
Al de reis naar de werkplek kostte menigeen onbezoldigde kostbare tijd die aan het eigen bedrijf werd onttrokken. En als op de plaats van herkomst de oogst mislukte, dan ontstond daar voedselschaarste gevolgd door hongersnood. Dit deed zich o.m. voor in een gewest in de buurt van Semarang, door hongersnood daalde de bevolking tot op een tiende.
Ook de kennis van de tropische landbouw was nog gering. Als proefnemingen van cultures in sommige streken mislukten, kwam de grootste schade voor rekening van de toch al arme landbouwer.

zaterdag 27 februari 2010

Gevolgen van de Java-oorlog (1825-1830)

Na de verwoestende Java-oorlog trad de nieuwe Gouverneur-Generaal J. van den Bosch aan. Hij kreeg de taak om de kolonie weer winstgevend te maken.

De politieke en strategische positie van Nederland in de archipel was sterk verzwakt.

Overal buiten Java waren de garnizoenen sterk gereduceerd en vrijwel alle soldaten waren naar het oorlogstoneel op Java gezonden.

De Culturele herleving van Java die Diponegoro had nagestreefd was jammerlijk mislukt.
Aan de macht van de vorsten en overige elite van Midden-Java was een eind gekomen, al bleef hun gezag bij de bevolking groot.
De trotse heldhaftige krijgstraditie van Java werd voor lange tijd afgebroken en de samenleving werd ‘gedemilitariseerd’.

Naar schatting 200.000 Javanen zijn tengevolge van het oorlogsgeweld omgekomen, minstens 10% van de bevolking van Midden-Java.
De verwoesting was enorm, honderden kampongs zijn in vlammen opgegaan en het bouwland lag er verwaarloosd bij.
Hongersnood en epidemieën teisterden de bevolking.

De Java-oorlog had Nederland de ongehoord hoge som van 25 miljoen gulden gekost en dat voor een kolonie dat eigenlijk een wingewest had moeten zijn.

vrijdag 26 februari 2010

Kantjil, het dwerghert

De Javaanse Kantjil leeft alleen op Java. Het diertje heeft een schouderhoogte van 25-30 cm, een lengte van circa 50 cm en een gewicht van 2 kg. Het voedt zich met bladeren, gras en afgevallen vruchten.

De Javaanse kantjil (Tragulus javanicus) is egaal van kleur en heeft witte vlekken onder aan de nek. Het diertje is ’s nachts actief en kan met zijn grote ogen scherp in het donker zien. Hij leeft in tropische oerwouden en mangrove bossen. Bij gevaar kan hij zich langdurig stilhouden in het dichte struikgewas.

De geringe afmetingen van het diertje sprak de mensen tot de verbeelding. In Indonesische verhalen is er een mythe ontstaan rondom de kantjil.
In fabeltjes leeft Kantjil alleen op de wereld. Van kleins af moest hij alleen zijn weg zoeken omdat moeder van hem was weggenomen door of jagers of roofdieren. Alleen door heel slim te zijn ontloopt Kantjil bijna alle gevaren. Een van die slimme invallen krijgt Kantjil als aan een dreigend gevaar bijna niet meer is te ontkomen. Hij drukt zich tegen de grond en houdt zich dood. Als de grote vijand naderbij is gekomen, springt Kantjil als een pijl uit de boog omhoog en schiet er van door, daarmee de vijand in verbijstering achterlatend. Een ander ontsnappingsverhaal heeft betrekking op het goede zwemvermogen van kantjils. Bij gevaar springt onze Kantjil eenvoudig in het water en verbergt zich onder drijvende takken of overhellende rotsen. Hij laat zich dus niet zo gemakkelijk vangen.
Kantjil leeft in de verhalen als schooier of pestkop onbekommerd verder en dopt z’n eigen boontjes, maar altijd is hij mensen en dieren te slim af.

donderdag 25 februari 2010

Evacuatie van APWI

De chaotische politieke situatie op Java na de capitulatie van Japan was debet aan de stagnatie in de evacuatie van Japanse militairen en APWI (Allied Prisonors of War and Internees), geallieerde krijgsgevangenen en burgergeïnterneerden in de Japanse kampen op Java.

De evacuatie van Japanse militairen en APWI was in handen gelegd van de Britse legerleiding op Java.
Deze kwam tot het besef dat de evacuatie vanuit het door Indonesische strijdgroepen gecontroleerde en dus volstrekt onveilige binnenland van Java alleen kon worden uitgevoerd met de hulp van Indonesiërs.
Begin 1946 voerde de Britse legerleiding op Java besprekingen met vertegenwoordigers van het pas opgerichte Indonesische leger. Politiek Nederland was hier fel op tegen, alweer werd in hun ogen de Republiek door de Engelsen erkend.
Ja, maar Nederland, er zaten tienduizenden Nederlandse gevangenen in de Republikeinse kampen !!!
De Engelsen volgden hun eigen koers, de evacuatie was hun taak en om die uit te voeren hadden ze te weinig troepen ter beschikking.
Het overleg met de Indonesische legerleiding bleek succesvol. Een Republikeinse eis om ten behoeve van de bescherming van de evacuatietransporten een Indonesisch bataljon infanterie te bewapenen werd ingewilligd. Onder zware politieke druk van premier Sjahrir op de Republikeinse leiders in Djokja stemden deze schoorvoetend met de evacuatie in.
Gedurende het hele jaar 1946 werden, onder begeleiding van de z.g. POPDA-afdelingen van het Indonesische leger, gevangenen uit de kampen in het binnenland met treintransporten naar de door de Engelsen veilig gestelde havensteden op Java vervoerd.

woensdag 24 februari 2010

Pladjoe in Japanse handen

Als enige van alle olievelden in de Nederlands- Indische archipel viel het oliecentrum Pladjoe (BPM) op Sumatra slechts gedeeltelijk vernield in handen van de Japanners.

Na de bezetting van Pladjoe op 14 februari 1942 door Japanse parachutisten wist een deel van het Europees personeel te ontkomen naar Java, het overig deel werd direct gevangengenomen.
De Japanners wilden de Europeanen (voornamelijk Nederlanders) weer aan het werk zetten, omdat ze zelf nauwelijks kennis droegen van de olieproductie.
Daartoe werden met behulp van BPM-collaborateurs de meeste naar Java uitgeweken BPM-medewerkers opgespoord en teruggebracht naar Palembang.
Ondanks soms zware martelingen weigerde het teruggebrachte voormalig personeel mee te werken.
Ze werden uiteindelijk in diverse kampen op Sumatra ondergebracht, een groot deel overleefde deze kampen niet.
Met hulp van voormalig inheems personeel werd de productie in Pladjoe enigszins hersteld, de vroegere omvang daarvan werd nooit gehaald. En zeker niet toen geallieerde bombardementen op verschillende raffinaderijen werden uitgevoerd.
Na de capitulatie van Japan in augustus 1945, namen Indonesische oliestrijdgroepen, “lasjkar minjak”, bezit van de raffinaderijen en brachten daar flinke materiële schade toe.
De BPM keerde in januari 1947 terug nadat Nederlandse troepen na bombardementen en grondgevechten Palembang hadden bezet.

maart 2010

ma di wo do vr za zo
1 2 3 4 5 6 7
8 9 10 11 12 13 14
15 16 17 18 19 20 21
22 23 24 25 26 27 28
29 30 31